Bij het maken van mijn keramische objekten neem ik meestal een gedraaide en daarmee  symmetrische vorm als uitgangspunt.
Deze vormen verander ik door ze bijvoorbeeld schuin af te snijden en weer samen te voegen, of doormidden te snijden, uit te rekken, te deuken, scheuren etc. en zo te vervormen tot uiteindelijk een nieuwe vorm ontstaat.
Door deze ingrepen wil ik de symmetrie van de gedraaide vorm die juist zo kenmerkend is voor draaiwerk doorbreken. De vormen kunnen op deze manier een ‘richting’ krijgen, ze staan schuin of lijken te golven. Soms lijkt het of ze balanceren, en net in evenwicht zijn. Dit geeft de vorm een richting of een beweging en soms een gevoel van onbalans wat vervreemdend kan werken.
Het is pas wanneer ik de 'uitgangsvorm' ga bewerken door allerlei ingrepen te doen dat het een 'eigen' vorm wordt.
In de objecten is vaak met opzet een duidelijke ‘ribbel’ gedraaid. Dit is een afgeleide van de ribbels die ontstaan tijdens het draaien en optrekken van de klei.

De glazuren en sinterengobes zijn meestal effen gebruikt waardoor de nadruk op de vorm zelf komt te liggen. De binnen- en buitenkant kan wel in kleur of glans verschillen  waardoor er contrast ontstaat tussen binnen en buitenkant, of tussen 2 delen.
 

Lees hier een interview op exto over mijn werk